Als ik denk denk ik en als ik luister luister ik, niet tegelijkertijd. Beide leveren een directe ervaring maar de een verdringt de ander. Is dat een scheidslijn. Een scheidslijn zit tussen twee dingen die tegelijkertijd aanwezig zijn; of is dit muggenzifterij? Dus in mijn directe ervaring vind ik geen scheidslijn.Als je kijkt sluipt het denken erin zeg je. Maar verandert dat denken iets in je directe ervaring? Is daar nu een scheidslijn getrokken of kun je die scheidslijn in je directe ervaring niet vinden?
Als ik er ruimer naar kijk dan zit hier een lichaam waarin zich directe ervaringen afspelen, luisteren, denken, zien, etc. Daar verandert niets aan welke ervaring zich ook aandient. Ik raak ontroerd.Het gaat er niet om dat die scheidslijn er in een gedachte niet mag zijn. Gedachten maken onderscheid, daardoor kun je functioneel denken. Maar kan een gedachte iets veranderen aan de directe ervaring? Wijzigt daar echt iets? Kijk!
Ja, nou snap ik dat.Die moeite die het kost wordt moeiteloos gezien of niet dan?
Kun je de ik voor wie het moeite kost buiten die zinsnede vinden?'Het kost me moeite'?
Die ik is een ik-verhaal. Het is gewoon een directe ervaring die door ‘mij’ heen gaat, er is niet een ik die die heeft.
Het is taal die ik bezig om die ervaring te beschrijven, in mij is alleen die ervaring/energie die ik zo noem. Ik realiseer me dat als ik een energie/sensatie zo noem er een ‘ervaring’ van maak die bepaald wordt door de keuze van de woorden.Kun je 'het moeite kosten' buiten die zinsnede vinden?
Er is alleen zien.- Loopt er een scheidslijn tussen zien en het geziene?
Er is alleen zien.- Loopt er een scheidslijn tussen zien en een kijker?
Er is alleen zien.- Kun je een kijker vinden?
Er is alleen horen.Als je naar vogelzang luistert is er dan een grens tussen het horen en het gehoorde?
Er is alleen horen.Als je naar vogelzang luistert , hoor je dan een vogel of is er alleen horen?
Vandaag ook een uur met een brandend wierookstokje gezeten. Het blijft een afwisselen van gedachten en ruiken maar als ik ruik is er alleen ruiken, het benoemen volgt maar daarvoor stap ik als het ware in een andere ruimte. Van de ruimte van het ruiken naar de ruimte van het denken/labelen.
Er is geen ‘ik‘ die overstapt. Ik houd een wierookstokje onder mijn neus en er is alleen gewaarzijn van geur, daar is geen ruiker voor nodig. Als die opkomt zit ik in de andere ruimte maar logischerwijs moet ik concluderen dat daar dan ook geen denker is.
Warme groet, Louis.


